Main page content

Entity view (Content)

Akoestische Prestaties & Koolstofvoetafdruk in CLT Vloerontwerp

Entity view (Content)

Wat Testcampagnes Onthullen over Vloeropbouwkeuzes

Cross-laminated timber (CLT) wordt steeds vaker gebruikt in residentiële en gemengde gebouwen vanwege de structurele efficiëntie en de lagere embodied carbon. Het realiseren van sterke akoestische prestaties in lichte houten constructies blijft echter een belangrijke ontwerpuitdaging.

Om beter te begrijpen hoe vloeropbouwkeuzes de prestaties beïnvloeden, heeft CDM Stravitec een reeks laboratoriumtestcampagnes uitgevoerd op zwevende vloersystemen die op CLT-platen zijn geïnstalleerd. Deze tests evalueren hoe verschillende configuraties zowel de luchtgeluidsisolatie als de contactgeluidsisolatie beïnvloeden.

Vandaag kan deze dataset verder worden uitgebreid door Environmental Product Declaration (EPD)-gegevens te integreren - waardoor ontwerpers niet alleen akoestische prestaties kunnen beoordelen, maar ook de koolstofvoetafdruk van verschillende vloeroplossingen.

Door de akoestische prestatiegegevens uit onze CLT-testcampagnes te combineren met EPD-gegevens, kunnen ontwerpers nu evalueren hoe vloeroplossingen invloed hebben op zowel:

  • trillings- en geluidsisolatieprestaties
  • milieueffecten

Dit dubbele perspectief stelt projectteams in staat om de afwegingen tussen akoestische prestaties en embodied carbon beter te begrijpen bij het ontwerpen van vloeropbouwen in houten gebouwen.

Vergelijking van Verschillende Stravifloor Opbouwen op Cross-Laminated Timber

De analyse vergelijkt verschillende zwevende vloeroplossingen die op CLT-platen zijn geïnstalleerd. De resultaten tonen aan hoe wijzigingen in de samenstelling van de platen en de opbouwhoogte zowel de akoestische prestaties als de koolstofvoetafdruk beïnvloeden.

  Stravifloor Deck(1) Stravifloor Channel met CLD (2) Stravifloor Channel met cement- en houten platen Stravifloor Channel met cement- en houten platen en verhoogde opbouw Stravifloor Channel met houten platen en verhoogde opbouw
Opbouwhoogte [mm] 100 93 100.5 136.5 118
Rw [dB] 66 64 63 67 65
RA,50 (dB) 63 57 56 59 57
Belgische Klasse RA,50(3) A B B A B
Ln,w [dB] 55 55 54 47 53
Li,50 [dB] 54 57 57 50 55
Belgische Klasse Li,50(3) C - - B C
A1-A3 GWP (met koolstofopslag) [kg CO2eq/m²](4) 33.5 -21.1 -8.3 20.5 -23.2
A1-A3 GWP (zonder koolstofopslag) [kg CO2eq/m²](4) 33.5 14.1 21.0 21.6 13.1
A1-A3 GWP (met koolstofopslag) - incl. CLT slab [kg CO2eq/m²](4) -84.1 -138.8 -126.1 -97.2 -140.9
GWP (A1-A3) (zonder koolstofopslag) - incl. CLT slab [kg CO2eq/m²(4) 50.6 31.2 38.1 38.7 30.2
(1) Rekening houdend met cement type III.
(2) Constraint Layer Damping.
(3) De Belgische akoestische klassen zijn afgeleid van de prestatie-indicatoren RA,50 en Li,50 volgens NBN S 01-400-1, die comfortniveaus voor residentiële gebouwen definiëren.
(4) GWP (Global Warming Potential)

Belangrijkste inzichten

  • Interpretatie van de Resultaten: Akoestische Prestaties over Verschillende Indicatoren

    The comparison highlights how different floor build-ups influence acoustic performance across multiple indicators.

    • Airborne sound insulation, expressed through Rw values, follows a consistent trend across configurations. Solutions with increased mass and build-up height - such as the Stravifloor Channel with overheight and mixed boards - achieve the highest performance (Rw 67 dB), indicating strong resistance to airborne noise transmission.
    • Impact sound insulation, reflected in Ln,w values, shows more pronounced variation. The same high-mass configuration reaches Ln,w 47 dB, demonstrating significantly improved vibration isolation compared to lighter systems.
    • Beyond individual metrics, the results can be interpreted through Belgian acoustic classes, derived from RA,50 and Li,50 values according to NBN S 01-400-1. These classes provide a practical benchmark for residential comfort levels.
    • Higher-performing systems reach Class A (airborne) and Class B (impact), while lighter configurations typically fall into Class B or C, depending on the parameter.

    For designers, this classification translates technical results into clear performance targets aligned with regulatory and comfort expectations, making it easier to evaluate the suitability of each build-up in real projects.

  • Invloed van Opbouwhoogte en Systeemmassa

     
     

    De resultaten tonen een duidelijk verband tussen systeemmassa, opbouwhoogte en akoestische prestaties.
    Configuraties met een hogere massa en extra hoogte, zoals de Stravifloor Channel-oplossing met verhoogde opbouw en gecombineerde cement- en houten platen, behalen de hoogste prestaties over meerdere indicatoren. De extra massa verbetert de luchtgeluidsisolatie, terwijl de grotere systeemdiepte de trillingsisolatie verbetert door het verminderen van structurele transmissiepaden.

    Deze combinatie resulteert in verbeterde prestaties, niet alleen in Rw- en Ln,w-waarden, maar ook in hogere Belgische akoestische classificaties.

    Deze verbeteringen worden echter bereikt door extra materiaallagen en een grotere systeemdikte. Daardoor hebben ontwerpkeuzes die de akoestische prestaties op deze manier optimaliseren ook invloed op het totale materiaalgebruik en de milieueffecten van de vloeropbouw.

  • Lager-Koolstof Droge Vloeroplossingen

    Lichtere droge dekvloerconfiguraties tonen aan dat het mogelijk is om de embodied carbon te verminderen terwijl solide akoestische prestatieniveaus behouden blijven.

    Oplossingen zoals de Stravifloor Channel met CLD-techniek of configuraties met uitsluitend houten platen leveren competitieve resultaten op het gebied van luchtgeluids- en contactgeluidsisolatie, terwijl ze de bijbehorende koolstofvoetafdruk aanzienlijk verlagen in vergelijking met zwaardere referentieoplossingen.

    Hoewel deze systemen over het algemeen op een lager niveau presteren dan configuraties met hoge massa, met name wat betreft contactgeluidsisolatie en de bijbehorende IIC-waarden, blijven ze binnen aanvaardbare grenzen voor veel residentiële toepassingen. Dit komt ook tot uiting in hun Belgische akoestische classificaties, die doorgaans binnen klasse B of C vallen, afhankelijk van de parameter.

    Deze resultaten tonen aan dat geoptimaliseerde droge vloeroplossingen een evenwichtige aanpak kunnen bieden, waarbij materiaalgebruik en embodied carbon worden verminderd zonder afbreuk te doen aan essentiële akoestische vereisten.

  • Inzicht in de Akoestisch–Koolstof Afweging

    De vergelijking toont een belangrijke ontwerpafweging in CLT-vloersystemen: akoestische prestaties en koolstofoptimalisatie lopen niet noodzakelijk gelijk.

    Configuraties die de hoogste akoestische prestaties behalen, weergegeven via Rw-, Ln,w- en Belgische klassen, maken doorgaans gebruik van een hogere massa en opbouwhoogte. Dit leidt tot een hoger materiaalgebruik en bijgevolg een grotere impact op de embodied carbon. Lichtere systemen daarentegen verlagen het materiaalgebruik en de koolstofvoetafdruk, maar kunnen resulteren in lagere prestaties voor bepaalde akoestische indicatoren, vooral die met betrekking tot contactgeluidsisolatie.

    Door gemeten akoestische gegevens te combineren met EPD-gebaseerde koolstofberekeningen, kunnen ontwerpers deze afwegingen beter evalueren. In plaats van te optimaliseren voor één enkele parameter, ondersteunt deze aanpak beter onderbouwde beslissingen die akoestisch comfort en milieuprestaties in balans brengen.

  • Ondersteuning van Betere Ontwerpbeslissingen in Mass Timber en Andere Duurzame Projecten

    Door gemeten akoestische prestaties over meerdere indicatoren, Rw, Ln,w en Belgische akoestische klassen, te combineren met geverifieerde koolstofgegevens, ontstaat een vollediger basis voor besluitvorming in CLT-vloerontwerp, terwijl dit ook de afstemming met certificeringskaders zoals BREEAM en LEED ondersteunt. In plaats van individuele parameters afzonderlijk te evalueren, kunnen projectteams beter begrijpen hoe opbouwkeuzes zowel akoestisch comfort als embodied carbon beïnvloeden.

    Deze gecombineerde aanpak maakt meer onderbouwde ontwerpstrategieën mogelijk vanaf de vroege projectfasen, waarbij vloeropbouwen geoptimaliseerd kunnen worden om te voldoen aan prestatie-eisen, de milieubelasting te verlagen en bij te dragen aan certificeringsdoelstellingen.